Burgemeesterscolumn: Oberhausen

Op de terugreis van vakantie in Italië zie ik ineens het bord: ‘Autobahnkreuz Oberhausen’. Ineens valt er een hele reeks jeugdherinneringen binnen. Oberhausen! De schrik van iedere automobilist. Mijn vader had na jaren binnenlandse vakanties bedacht dat het ook wel eens goed zou zijn om op vakantie te gaan naar het buitenland. Duitsland lag dan nog steeds wel wat gevoelig, maar het was in ieder geval dichtbij. Mijn moeder was het met hem eens. Want in mijn jeugd waren vrouwen het meestal eens met hun echtgenoot (toen nog wel).

Aan de voorbereiding schortte het niet. Winteravonden lang hing hij boven ingewikkelde autokaarten die speciaal voor dit doel waren aangeschaft. De reis naar het Sauerland werd zorgvuldig uitgestippeld. Het leek alsof we op safari door onbewoonde gebieden gingen. Daarvoor gebruikte hij een soort wieltje, waarmee je over de kaart kon rijden. Vervolgens was de afstand makkelijk af te lezen. Dat was nog wat anders dan een TomTom. De afstanden tussen de diverse plaatsen werden zorgvuldig genoteerd. Ook werd de plaats berekend waar we ongeveer zouden moeten tanken. Want stil komen staan in Duitsland zonder benzine was levensgevaarlijk, zoveel was zeker.

“Maar we komen niet om Oberhausen heen”, zei mijn vader ineens zuchtend boven de tafel. “Kunnen we dan niet via B-wegen”, sprak mijn moeder behulpzaam. Maar dat was helemaal de goden verzoeken, volgens pa. Gelukkig bood De Kampioen uitkomst. In dit ANWB-blad stond een mooi artikel over ‘de drie grootste verkeersknooppunten van Europa’: Parijs, Lyon en… Oberhausen. Mijn vader knipte het artikel behoedzaam uit en plakte het op een schoongemaakte kartonnen flap van een schoenendoos.

Zo gingen we op pad naar Sauerland. De Ford Taunus was minutieus ingepakt, dat kon je wel aan mijn vader overlaten. Zuchtend en steunend mocht er zelfs een bal mee, tussen de aardappels en blikken boontjes. Mijn zus en ik zaten ingeklemd op de achterbank met tussen ons in het beddengoed voor twee weken in het Duitse huisje. Bij de grens werd het even spannend. “Niets zeggen hoor”, zei mijn moeder waarschuwend. Na een half uurtje op de autobahn zagen we de borden ‘Autobahnkreuz Oberhausen’. Mijn moeder had de schoenendoosflappen al vanaf huis op schoot.

Het werd stil in de auto. Op de bovenlip van mijn vader zag ik de zweetdruppeltjes komen. Als een ware copiloot gaf mijn moeder de instructies: “Ja, dan moeten we eerst hier richting dortmunt”. “Dortmoend, zal je bedoelen”, zei mijn vader die wel een beetje Duits sprak. “Dat zeg ik toch.” Mijn zus en ik hielden onze adem in. Bij de vierde afslag werden we afgesneden door een Duitse Mercedes. Het ging net goed. Nu hield ook mijn moeder de adem in, want ze kende haar echtgenoot zo’n twintig jaar na de oorlog al te goed. Pa leek even gas te geven en zei toen: “Volgens mij hebben we het gehad, doe me maar de pijp”. Even later hing de auto vol met rook. Voor een keer vonden we dat niet erg. Want wij hadden Oberhausen overleefd, dan zal het met zo’n pijp ook wel meevallen.

Burgemeester
Eric van Oosterhout