Burgemeesterscolumn: Vrijdagmiddag in London

Als één van de dochters in London woont en werkt, is een weekendtripje snel bepaald. Vanaf Eelde vlieg je er makkelijk naar toe. Vrouw en andere dochter hebben dit keer voor de boot gekozen. Omdat het werk voor het meisje gaat, vlieg ik er twee dagen later op vrijdagmiddag achteraan.

Op Vliegveld Eelde is het bloedheet. Ik ben mooi op tijd, dus ik neem plaats op het terras. “Doet u mij maar een Radlertje 0.0”, zeg ik tegen het meisje dat de bestelling opneemt. Even later komt ze terug met een flesje Hoegaarden. Op het etiket staat dat er 2.0 alcohol in zit. Nou hoef ik het vliegtuig niet zelf te besturen, maar ik roep het meisje toch maar weer. “Eh, ik had al een Radler 0.0 besteld.” Ze geeft geen krimp en komt even later met een nieuwe bestelling: een Hoegaarden. Op het etiket staat nu 0.0. “Eh, ik had een Radler 0.0 besteld.” Ze gaat even overleggen. Het duurt even, het bier wordt al wat lauw. “Ik heb het even nagevraagd, maar dit is een Radler”. Tja. Ik knik haar vriendelijk toe. Het is te warm voor al teveel drukte.

Ook bij de douane blijf ik kalm. Altijd weer een heel gedoe met kleine flesjes shampoo die in een zakje moeten en een klein pakje Roosvicee dat blijkbaar ook tot terroristisch materiaal hoort.

Als ik door de douane heen ben, vul ik mijn lege flesje met water. Dat blijkt van pas te komen, want in het vliegtuig is het eerst bloedheet. Ik neem snel een slok. Omdat ik op rij één bij de nooduitgang zit, zet ik het flesje rechts voor mij in een vakje. Dan stijgt het vliegtuig op. Ik mag graag vliegen en kijk met veel plezier naar buiten voordat ik ga lezen. Dan hoor ik ineens een rollend geluid. Mijn flesje water rolt in het opstijgende vliegtuig al gauw tien rijen naar achter. Als we na een uurtje weer landen, hoor ik ineens wat naar me toe rollen. Het water is inmiddels wat lauw.

In de trein naar London appt dochterlief dat ik beter een station later kan uitstappen. Even rijd ik een stukje zwart. De krantenkoppen schieten door mijn hoofd: “Drentse burgemeester opgepakt in London wegens zwartrijden”. Toch wat opgelucht stap ik uit. Maar als ik door de poortjes wil, weigert mijn kaartje dienst. Het is natuurlijk ongeldig voor dit station. Iets verderop staat een spoormeneer net wat te boos voor zich uit te kijken. Ineens hoor ik een grote bons. Een keurig geklede dikkige zakenman maakt met aktentas en paraplu een enorme smak door de poortjes. Hij heeft kennelijk iets teveel genoten van de ‘vrijdagmiddagborrel’. Snel probeer ik hem overeind te helpen. De boze spoormeneer ondersteunt hem ook. Samen sjorren we hem omhoog. Hij vervolgt zigzaggend zijn route na een stotterend ‘thank you’. De spoormeneer bedankt me ook, en houdt het poortje hartelijk voor me open. Even voel ik mij een illegale vluchteling. Maar een goede daad is meer waard dan een treinkaartje.

Burgemeester
Eric van Oosterhout