Burgemeesterscolumn: Eitjes voor oudjes

Emmen

Aan het eind van het jaar is het vaak hollen of stilstaan. ‘Hollen’, om alles op tijd af te krijgen. En ‘stilstaan’, terugblikken, kerstborrels en etentjes.

De eindejaarsborrel voor de oud-medewerkers valt er zo’n beetje tussen in. Al gauw zo’n 150 medewerkers komen voor een gezellige middag op het gemeentehuis bij elkaar. Bijzonder om zo’n club bij elkaar te zien. Veel grijs, veel man en de meeste nog opvallend vitaal. Ik maak een bijzonder praatje met een man in een rolstoel. Hij verstaat alles, maar kan niet meer praten. Een toetsenbordje is zijn deur naar de buitenwereld. Daarop maakt hij zelfs nog een grapje. Mooi. Ik mag de bijeenkomst afsluiten. Als ik om wat aandacht vraag, is het gezelschap binnen korte tijd stil. Gezagsgetrouw heet dat geloof ik. Ik vertel een verhaal over mijn Zwolse opa. Hij had meer kleinkinderen, maar slechts één kleinzoon die naar hem was vernoemd: Hendrik Frederik. Opa was gek op zijn naamgenoot en dat was wederzijds. Zo keken we altijd samen Duits voetbal. Dan konden we het nooit eens worden over Bayern München. Opa vond net als ik Franz Beckenbauer een geweldige speler. Maar wat had hij een gruwelijke hekel aan die keeper, Sepp Maier. Als er iets te lang werd ingezoomd op deze doelman, ging de anders zo zachtaardige opa los: “grrr, moj s kiekn’, gemene kop, Duutser, grrr”. Opa had lang gewerkt in een machinefabriek, die later overging in handen van een Amerikaanse multinational. Het bedrijf had een enorm complex op een verlaten industrieterrein aan de rand van Zwolle. Met Kerst werden de oud-werknemers zoals opa vergeten. Maar dit werd ruimschoots goedgemaakt met Pasen. Dan kregen alle oud-werknemers zomaar een doosje eitjes. Elk jaar ontving opa daarvoor een brief, waarin stond dat het doosje van tien eitjes gratis was af te halen. En elk jaar gaf opa mij deze brief als een soort bestelopdracht. Zeker toen ik een bijbaantje had, overwoog ik vaak om de eitjes zelf om de hoek te kopen. Maar ik durfde het nooit, uit liefde voor mijn opa. Het was al gauw drie kwartier fietsen over de verlaten winderige industrievlakte. In de grote kille hal werd mij door de portier ‘op vertoon van de brief’ het doosje overhandigd. “Dat zal mijn opa fijn vinden, hij heet Wienbelt, hij doet u de groeten”, zei ik elk jaar voor de grap. Maar de portier reageerde niet, geen enkel jaar. Omdat opa in het bejaardenhuis zat, gaf ik de eitjes aan mijn moeder. Als opa op visite was, bakte ze een eitje voor hem. “Heerlijk”, zei hij een beetje smakkend met een schuin oog naar Sepp Maier. Ik eindig mijn toespraakje voor de oud-collega’s met een welgemeend ‘tot volgend jaar’. Dat vinden ze wel grappig. Een tijdje geleden is besloten om dit feestje om het jaar te houden. Bezuinigingen en zo. Toch maar eens kijken of er nog een paar centen zijn voor een biertje en een gevuld eitje. Dat verdienen ze wel. Opa zou het met mij eens zijn. Burgemeester Eric van Oosterhout

Auteur

Redactie