Burgemeesterscolumn: Kleefvla

Emmen

Een aantal jaren geleden overleed mijn moeder. Regelmatig herinner ik me wijze levenslessen en vele mooie ervaringen. Zoals een van die laatste keren toen we tegen etenstijd het verzorgingstehuis binnenstapten.

Op de afdeling waar mijn moeder noodgedwongen verblijft, zijn ze net toe aan het warme eten. We aarzelen even, maar de verzorgers geven aan dat wat extra handjes wel handig zijn. Moeder heeft ons al gezien. Meneer Parkinson heeft ervoor gezorgd dat het praten vrijwel is verstomd, maar met haar ogen laat ze zien dat ze blij is dat we er zijn. “Oh, ik ben zo bang, ik ben zo bang.” Achter me zit een oude vrouw wat te jammeren. Niemand besteedt er veel aandacht aan. Naast mijn moeder zit een vrouw recht voor haar uit te glimlachen. De tafel wordt gecompleteerd door de enige man, die met zijn tong het kunstgebit wat heen en weer duwt. Hij kijkt me daarbij vriendelijk aan. Wat zeg je dan? Het is even schakelen. De zusters bemoeien zich met de andere vijf bewoners, terwijl ik wat eten voor mijn moeder opschep. Ze kan haar handen niet meer gebruiken. Ineens hoor ik achter me: “Snijbonen met rijst, wie bedenkt zoiets!” Ik zie een kordate mevrouw bij het raam zitten, type ex-kleuterleidster. Ze slaat met de bolle kant van haar lepel op het eten. “Oh, ik ben zo bang”, reageert haar overbuurvrouw. “Snap jij dat nou, snijbonen met rijst.” Ik voer mijn moeder het eerste hapje. Er zit ook wat roerei bij. Ik zie haar kauwen en vagelijk lachen. “Zo ben ik niet opgevoed”, zeg ik zachtjes tegen haar. “N n n, nee”, zegt ze lachend. De overbuurman haalt met zijn vork wat ei tussen de tanden weg. “Zouden ze geen aardappels hebben?” Tussen de zinnen door is het muisstil, niemand praat met elkaar. “Ik denk dat het van de bezuinigingen komt, dat er geen aardappels zijn, denkt u ook niet?” Ze heeft het schijnbaar tegen niemand. Mijn vrouw, die een eindje verderop zit, durft me amper aan te kijken. Het getik van het bestek houdt aan en mijn moeder laat het zich lekker smaken. Eten is nog een van de weinige genoegens van haar beperkte leven. We helpen mee opruimen. Dan mogen we het toetje uitdelen. Kwark, ik zie de bui al hangen. Net als ik mijn moeder het eerste hapje wil voeren, horen we luid: “Wat een kleverige vla!” Met een harde pets slaat ze op het bakje. De overbuurman maakt een salto met zijn gebit. “Meneer, heeft u misschien ook een lijst met telefoonnummers van mijn kinderen gezien”, zegt een andere vrouw. “Kleefvla, dat kan toch niet.” Mijn moeder grijnst wat en eet ook het laatste hapje met smaak weg. Dan neemt een mevrouw het woord die ik nog niet heb gehoord. Haast wat bekakt zegt ze tegen een van de zusters: “Ik wil u heel erg bedanken voor de gastvrijheid, maar mag ik nu wel even buiten roken?” “Oh, ik ben zo bang”, antwoordt de buurvrouw. Ik kijk mijn moeder even aan en we zuchten. Haast tegelijk. Burgemeester Eric van Oosterhout

Auteur

Redactie