Burgemeesterscolumn: Vakantiebaantje

Emmen

Een enkele keer word ik nog wel eens bij het ‘krieken’ van de dag wakker (mooi woord). De vogels om ons huis hebben dan geen last van een ochtendhumeur. Het lijkt wel een symfonie. Als ik zo de dag zou beginnen, had ik al snel de politie op de stoep staan in verband met burengerucht.

Het geluid doet me altijd terugdenken aan mijn eerste vakantiebaantje. Ik was twaalf jaar. Wij woonden in Den Haag, aan de kant van het Westland. Daar was in de vakantie altijd werk. Vakantiewerk in de kassen begint vooral vroeg, om de hitte later op de dag te vermijden. Mijn ouders zorgden voor een soort hotelopvoeding, want ik kan mij niet herinneren dat ik ooit een wekker hoefde te zetten. Wij werden liefdevol persoonlijk gewekt, ook om vier uur in de ochtend. Daarna werd een liefdevol ontbijtje geserveerd, want “je moet goed eten als je zo hard moet werken”. Drie boterhammen met hagelslag, ook toen al. Om kwart over 4 dronk mijn moeder slaperig een kopje thee met mij mee. Bezorgd zwaaide ze me uit vanaf vier hoog. Buiten hadden de vogels het hoogste lied. In het Den Haag van de jaren zestig zag of hoorde je normaal niet zo heel veel dierengeluid. Ronkende auto’s, knetterende bromfietsen of voorbij razende brandweerauto’s voorkwamen dat. Maar nu fietste ik bijna moederziel alleen over de lange laan, vrolijk begeleid door allerhande geluiden. Ik kreeg haast de neiging om te zwaaien naar die enkele voorbijganger, maar dat was ook wel een beetje raar. Later zwaaide ik me 24 uur per dag een tennisarm in Gieten en omstreken. Tegen 5 uur kom ik aan bij de kassen. Daar is het aanzienlijk minder rustig. Radio Veronica staat al op zijn hardst, terwijl de mannen zwijgend aan een morsige kantinetafel zitten. Er zijn een paar jongens van mijn leeftijd, maar het merendeel is veel ouder. Ze zeggen wat binnensmonds ‘dag’ terug (“altijd beleefd blijven, jongen”). Veel meer Nederlands is er nog niet bij. Zo lang wonen ze nou ook weer niet in Nederland. Dan gaan we de al klef warme kassen in. Binnen vijf minuten zit mijn neus vol met de diepgroene plantengeur van de tomaat. Nog vijf minuten later is er geen schoon plekje meer op mijn rechterhand. Ik knijp iets te hard in de eerste beurse tomaat, zodat ik meteen een kwak op mijn net weer schone broek krijg. Tomatenplukken staat in de top tien van gore werkjes. Ik taal er niet naar, want de platenspeler komt met elk uur een tientje (zwart) dichterbij. Als ik in de loop van de ochtend thuiskom, moet ik net als opa eerst even liggen, voordat ik een bal kan trappen. Er volgen later nog vele vakantiebaantjes: vakkenvuller, folderloper, verkoper bij Vroom & Dreesmann (atechnisch op de lampenafdeling), enquêteur bij het Nipo, boekvertaler (der Kneippkur, Versorgung der Katze). Maar geen baantje was zo bijzonder als tomatenplukken. Nooit werd het smeriger. Maar nooit werd het zo mooi als helemaal alleen in de ochtend in een verstild Den Haag. Burgemeester Eric van Oosterhout

Auteur

Redactie